Atrofie betekent letterlijk “afname van weefsel”.
Bij spieratrofie vermindert de omvang van spiervezels door een lagere eiwitaanmaak en een verhoogde afbraak.
De spier wordt dunner, zwakker en minder goed in staat om kracht te leveren.
Er zijn twee hoofdvormen:
- Gebruiksonafhankelijke atrofie – veroorzaakt door langdurige inactiviteit of immobilisatie, bijvoorbeeld bij gips, bedrust of pijnvermijding.
- Neurogene atrofie – veroorzaakt door beschadiging of verminderde prikkeling van de zenuw die de spier aanstuurt.
In de praktijk zien we vaak een combinatie van beide: pijn leidt tot minder beweging, wat het zenuwstelsel “afleert” om de spier te gebruiken.




