De wervelkolom heeft drie natuurlijke krommingen:
- de cervicale lordose in de nek,
- de thoracale kyfose in de bovenrug,
- en de lumbale lordose in de onderrug.
Deze S-vorm verdeelt de krachten over de wervels en voorkomt dat schokken direct op de tussenwervelschijven terechtkomen.
Wanneer die balans verstoord raakt, verandert de drukverdeling in de rug.
Bij een te sterke holling kantelt het bekken naar voren en worden de lage rugspieren overbelast.
Bij een te vlakke holling zakt de wervelkolom juist in elkaar, waardoor de schijven meer druk krijgen.





