Spierdisbalans ontstaat wanneer tegenovergestelde spiergroepen (agonisten en antagonisten) niet in evenwicht zijn.
Een spier kan te strak, te kort, te zwak of juist te inactief worden.
Bijvoorbeeld: strakke heupbuigers in combinatie met zwakke bilspieren zorgen ervoor dat het bekken naar voren kantelt en de onderrug overbelast raakt.
Dit verstoorde evenwicht beïnvloedt niet alleen de stand van gewrichten, maar ook de manier waarop het zenuwstelsel signalen verwerkt.
Het lichaam compenseert voortdurend, waardoor andere spieren taken moeten overnemen waarvoor ze niet bedoeld zijn.





